Vergeven – Nooit vergeten 3

Ik heb er ‘ s nachts ook liggen te huilen van de pijn en geschreeuwd en gebeden of het a.u.b. snel voorbij kon zijn. Gelukkig was na zes weken deze HEL voorbij, want het werk was klaar, dus gingen wij weer terug naar Neuengamme met al de overlevenden, waaronder veel zieken en sommigen zijn tijdens het transport dan ook overleden.

In Neuengamme aangekomen moest ik met mijn voet naar de kamparts, want ik had in Ladelund een wond opgelopen en die zweerde, de maden kropen er uit en het etterde, mijn voet was opgezwollen. Toen ik bij de arts kwam, bekeek hij de wond, hij nam een klein zakmesje, hield het even boven een vlammetje en krabde daarmee de wond schoon, en toen het bloed er door kwam, plakte hij er een stuk papier op en zei: “Morgen kun je weer werken.” Gelukkig werd ik in de keuken te werk gesteld zodat mijn voet kon rusten. Hier heb ik zowat tien dagen gewerkt en moest toen met een grote ploeg puin gaan ruimen in Hamburg, daar zijn ook veel mensen omgekomen door de bombardementen. Als de bommen vielen moesten wij blijven werken en de bewaking ging in dekking, maar wel zo, dat ze ons altijd konden blijven zien. Dus vluchten was er ook hier niet bij. Hier heb ik veertien dagen gewerkt en werd toen op transport gesteld naar Versen-Meppen.

De bewaking was hier soepeler dan in de vorige kampen, dit waren hoofdzakelijk mensen van de oorlogsmarine die gewond waren geweest en voor verder herstel dit werk moesten gaan doen. Hier zaten onder de gevangenen de verraders, en die kregen voor hun verraad een extra stuk brood en degene die hij verraden had, kreeg een extra pak rammel met de knuppel van de Kapo’ s of van de bewaker die in de buurt was. Soms was dat ook zo erg dat er doden bij vielen.

Zo was er een Nederlandse gevangene die dit ook flikte. Hij werd de fluiter genoemd, want als hij zag dat er wat gebeurde wat niet door de beugel kon, dan begon hij boven vanaf een berg zand, op zijn vingers te fluiten en dat was voor ons het teken van oppassen geblazen, want in een ommezien waren de bewakers of de aanwezige Kapo’s present en dan hoorde je de klappen vallen of je hoorde ze schreeuwen van de pijn.

Hier heb ik zowat 7 weken gezeten, ik heb hier heel veel mensen zien sterven waaronder zeker ook Puttenaren, maar wie dat zijn weet ik niet precies meer. Wij zijn toen met een groep mensen weer teruggegaan naar Neuengamme en ik moest na een paar dagen gaan werken in de steenfabriek die in het kamp was, dit was zeer zwaar werk en menigeen heeft hier dan ook de dood gevonden.

Je moest met drie of vier man een zware lorrie geladen met natte klei een steile helling opduwen, en waar je liep lagen allemaal van die grote sintels, menigeen is daarover gestruikeld en dan werd je zonder pardon naar beneden geknuppeld, en daar stonden ze meteen klaar om je verder met knuppels te bewerken, net zo lang totdat het leven er was uit geslagen.

Tijdens deze periode waren wij nog getuige dat 10 Belgen elkander op moesten hangen, de laatste werd door een SS-er opgehangen. Deze mensen werkten in een wapenfabriek en zij hadden sabotage gepleegd aan de lopen van kanonnen die daar gemaakt werden, want er waren diverse lopen tijdens het vuren uit elkaar gesprongen. Gelukkig heb ik ook hier weer een grote dosis geluk gehad, en dankzij God heb ik dit mogen overleven.

Na 2 weken in de steenfabriek gewerkt te hebben zijn wij met nog zo’n 250 man op transport gesteld in veewagons naar het dodenkamp Bergen-Belsen. Hier hebben wij op de grond moeten slapen op wat verrot stro, en met 4 man onder een deken die een uur in de wind stonk, de luizen zag je zo lopen. Luchten kon je niet, dus moest je er gewoon onder gaan liggen; binnen korte tijd zat je zelf onder van die grote luizen, overal had je jeuk en wanneer je ging krabben dan had je zo een stuk of wat van die luizen te pakken. Het was verschrikkelijk.

Dagelijks moesten wij met een karretje de diverse barakken af om alle doden op te laden en dan naar het crematorium te brengen, waar ze werden verbrand, dit ging van’ s morgens 8 tot’ s avonds half zes. Daarna had je dan avondappèl en dat duurde soms uren en je stond daar dan in weer en wind totdat je om een uur of acht je eten kreeg en dan werd je door de SS-ers en Kapo’s de barakken weer ingeslagen en kon je als het mee zat, gaan rusten, want als de kampcommandant een slechte bui had, dan werd je ‘ s nachts er ook nog eens uitgeknuppeld voor een extra appèl, soms in een sneeuwbui of in de stromende regen, aan de barre kou was je wel gewend, dus dat voelden wij niet meer, daar was je in gehard.

In één woord gezegd was dit echt een dodenkamp, veel medegevangenen zijn daar ook aan die toestanden bezweken. Gelukkig heb ik met hulp van Boven dit alles mogen overleven.

<< | vorige | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | volgende | >>