Vergeven – Nooit vergeten 2

Op 12 oktober 1944 werden wij met zijn allen op transport gesteld, maar waarheen wist niemand en na veel oponthoud zijn wij op 14 oktober 1944 in het concentratiekamp Neuengamme gearriveerd. Daar werden wij door een muziekkapel ontvangen die het lied “Alte Kameraden” voor ons speelde, dit lied zal en kan ik nooit vergeten. Met knuppels werden wij de wagons uitgeslagen en naar de appèlplaats gestuurd, want er moest weer appèl gehouden worden.

Toen alles bleek te kloppen werden wij in groepen naar de barakken gebracht (als mens ging je toen nog daar naar binnen), alles moest je afgeven, je stond daar poedelnaakt. Daarna ging je een lokaal verder en daar werd je van boven tot onder kaal geschoren, hetzij liggend op een tafel of staande, weer een lokaal verder werd je gedesinfecteerd door middel van een gloeiend hete Lisoldouche, je hele lichaam stond in brand, vooral op de plaatsen waar je was geschoren. Hierna kregen wij onze kleren toegeworpen, bestaande uit een hemd – broek – jas en schoenen, of het je maat was deed er niet toe, je moest het aantrekken, je kreeg je nummer en zo kon je weer naar buiten (als nummer kon je opnieuw beginnen).

Nadat er weer een appèl was gehouden, werden wij naar diverse barakken gestuurd. De volgende morgen na het appèl werden wij in groepen ingedeeld en moesten ergens gaan werken. Ik moest met nog een stel Puttenaren naar Husum-Schwesing, waar het precies was, wist ik op dat moment niet, maar daar zijn we wel achter gekomen toen wij daar arriveerden in veewagons met zo’n veertig à vijftig in één wagon, als beesten zaten wij daar op elkaar. Wij werden in Husum opgewacht door de kampcommandant, een SS-er, en hij heette Griem, die naam vergeet ik nooit meer, het was een grote gemene kerel die nergens voor terug deinsde, en dat hebben wij een paar dagen later gemerkt.

Wij werden ondergebracht in kleine barakken waar normaal niet meer dan 50 personen in konden, maar wij werden er ingeduwd met ruim 200 man, dus ruimte hadden wij er niet. Er zaten wel vensters in, maar zonder glas, dus de koude wind en regen hadden er vrij spel en het was echt erg koud en nat, want hier moesten wij tankvallen graven en dan stond je soms tot je knieën in het water, en plaats om je kleren te drogen was er niet, dus als je ging slapen, dan kroop je zo dicht mogelijk tegen elkaar om elkaar toch wat te verwarmen.

Op een avond toen wij van ons werk weer in het kamp arriveerden, stond de kampcommandant bij de ingang op ons te wachten met een brede grijns op zijn gezicht, hij was dronken. Hij pakte een jonge Pool uit de groep en zette deze op een meter of 6 voor hem neer, de jongen moest knielend om eten smeken, Griem trok zijn pistool en schoot hem door het hoofd, borg zijn pistool weer op en zei: “Een goed schot”, en liep grinnikend weg. Wij mochten de jongen niet meenemen naar de barak, hij bleef daar liggen tot de volgende morgen, toen konden wij hem meenemen naar het appèl.

Op een andere avond toen wij weer van ons werk thuis kwamen, pakte een Kapo (dit zijn de grootste criminelen, want deze mensen zijn ter dood veroordeelden en die kunnen zich dan bewijzen als Kapo) ook een man uit de groep en zette hem boven op een werkende fontein, daar moest hij gehurkt op blijven zitten en als hij er afviel, dan kreeg hij klappen met een knuppel en moest er weer opklimmen totdat hij niet meer kon. Als hij dan nog eens viel, dan werd hij ter plaatse doodgeknuppeld, dus je kunt wel nagaan hoe angstig wij ons voelden, want ook jou kon zoiets gebeuren. Maar gelukkig zijn wij hiervoor gespaard gebleven.

Na veertien dagen in Husum gewerkt te hebben, zijn wij met nog enkele Puttenaren op transport gesteld. Wij werden weer in veewagons geladen en kwamen aan bij het station Achtrup, en vandaar was het nog zo’n 7 à 8 km lopen naar Ladelund. Toen wij hier arriveerden met al de zieken die wij moesten ondersteunen en de doden die onderweg waren overleden, werden wij weer opgewacht door de kampcommandant Griem, dus wij wisten dat wij weer op moesten passen, ook hier moesten wij tankvallen graven net als in Husum, tot aan je knieën in het water en geen plek om je zelf te drogen. Hier was het ook hard werken, veel stokslagen en weinig eten en drinken. De legering was ook zeer slecht, hier zijn veel Puttenaren overleden. Gelukkig zijn deze nog op een begraafplaats begraven door toedoen van Pastor Meyer, ze werden wel in één graf gelegd en wij wisten de namen, plaats en het land waar zij vandaan kwamen.

Zodoende wist men precies waar de doden begraven zijn. Hier hebben de SS-ers mijn onderkaak in elkaar geslagen en boven miste ik drie tanden, dit kwam toen wij aan het graven waren. Mijn zwager zei iets tegen mij en toen ik hem hierop antwoordde, sprong er een SS-er naar beneden en begon op mij in te slaan. Van de gevolgen heb ik nu nog last.

<< | vorige | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | volgende | >>